Opinie — voorstel voor een aanpak die tijd, samenwerking en blijvende inzet vraagt.
Een controle zonder geldig vervoerbewijs kan uitlopen op een verhoging van de ritprijs, een betalingsdossier of strafrechtelijke opvolging. Maar wanneer dezelfde persoon steeds opnieuw betrokken raakt bij bedreiging, geweld, vernieling of andere misdrijven, gaat het om meer dan de afhandeling van één rit.
Medewerkers en reizigers hebben dan belang bij een aanpak die het terugkerende gedrag daadwerkelijk probeert te doorbreken. De vraag is welke combinatie van strafrecht, zorg, toezicht en ondersteuning daarvoor nodig is, en wie verantwoordelijk is voor de uitvoering.
Mijn voorstel is een vaste route voor de beoordeling van zulke terugkerende casussen. Vervoerders leveren relevante signalen aan, bevoegde organisaties onderzoeken het bredere patroon en per persoon volgt een onderbouwd plan. Voor een afgebakende groep volwassen stelselmatige daders kan de bestaande ISD-maatregel daarin een belangrijke rol spelen.
Dit is een aanpak voor de langere termijn. De waarde ervan moet worden beoordeeld op veiligheid, vermindering van recidive en een verantwoorde terugkeer in de samenleving. Een belofte dat het goedkoper wordt, is daarvoor niet nodig.
Een patroon kan verder reiken dan één vervoerder
Een persoon kan bij verschillende vervoerders incidenten veroorzaken en daarnaast bij politie, justitie of hulpverlening bekend zijn. Wanneer iedere organisatie uitsluitend haar eigen incident afhandelt, kan relevante samenhang onopgemerkt blijven.
Dat rechtvaardigt geen algemene zoektocht door de dossiers van iedereen met een betalingsachterstand. Een onbetaalde OV-vordering zegt op zichzelf niets over gevaarlijkheid. Ook een incidentmelding, een verdenking en een bewezen misdrijf zijn verschillende zaken.
Herhaalde, concrete veiligheidsincidenten kunnen wel aanleiding zijn om te onderzoeken of een gezamenlijke aanpak nodig is. Denk aan bedreigingen tegen personeel, geweld tegen reizigers of terugkerende vernielingen. Daarbij moeten de feiten, de betrouwbaarheid van registraties en het resultaat van eerdere interventies zorgvuldig worden beoordeeld.
De Vechtdallijn tussen Zwolle en Emmen laat zien waarom die beoordeling nodig is. Het AD beschreef op 20 september 2026 hoe Arriva-boa Erik Tent op deze verbinding, die ook door reizigers van en naar Ter Apel wordt gebruikt, met agressie rond controles te maken krijgt. Volgens de reportage kan het voorkomen dat een reiziger zonder geldig vervoerbewijs mag doorlopen wanneer de identiteit niet kan worden vastgesteld en verder optreden onveilig dreigt te worden.[8] Dat is een veiligheidskeuze voor de medewerker op dat moment. Voor mij is het tegelijk reden om te vragen wie het terugkerende gedrag daarna oppakt. De herkomst of reisbestemming van een reiziger is daarbij geen criterium; het gaat om de individuele feiten en het risico.
Wat ISD kan betekenen
ISD staat voor Inrichting voor Stelselmatige Daders. Juridisch gaat het om de maatregel tot plaatsing in zo'n inrichting. De strafrechter kan deze op vordering van het Openbaar Ministerie opleggen voor maximaal twee jaar.
De maatregel is gericht op beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive. Wanneer verslaving of andere specifieke problematiek samenhangt met de strafbare feiten, moet ISD ook bijdragen aan het aanpakken daarvan. Die dubbele opdracht volgt uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.[1]
Bij onvoorwaardelijke ISD wordt iemand zijn vrijheid ontnomen. Dat biedt gedurende het gesloten verblijf bescherming tegen nieuwe incidenten buiten de inrichting. Tegelijkertijd ontstaat tijd voor diagnostiek, behandeling, begeleiding en voorbereiding op terugkeer.
De rechter kan onder voorwaarden ook een voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen. Niet iedere ISD-beslissing betekent dus onmiddellijke plaatsing voor twee jaar. De volgende uitleg gaat vooral over onvoorwaardelijke ISD.
Veel OV-boetes zijn geen toegangsbewijs tot ISD
Een verzameling UVB's of openstaande vorderingen voldoet niet aan de voorwaarden voor ISD. De wet vereist, samengevat, het volgende:[1]
- Het nieuwe bewezen feit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
- In de vijf jaren voorafgaand aan dat feit is de verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf, dan wel is bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf opgelegd.
- Het nieuwe feit is gepleegd na tenuitvoerlegging van die straffen of maatregelen.
- Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
- De veiligheid van personen of goederen moet oplegging van de maatregel eisen.
De beoordeling van eerdere sancties is juridisch nauwkeurig werk. Een geldboete telt bijvoorbeeld niet zonder meer als een van de vereiste sancties. Volgens de OM-richtlijn geldt dat evenmin voor vervangende hechtenis wegens het niet voldoen van een geldboete of taakstraf.[2]
Daarnaast hanteert het OM beleidscriteria. De richtlijn omschrijft een zeer actieve veelpleger als een persoon van achttien jaar of ouder tegen wie in vijf jaar processen-verbaal zijn opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, met ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf het laatst gepleegde misdrijffeit. Voor de telling gelden nadere regels. Dit zijn geen aantallen OV-boetes en ook niet noodzakelijk evenzoveel veroordelingen.[2]
Het OM toetst het dossier aan deze criteria en aan de wet. De rechter beslist uiteindelijk zelfstandig. In beginsel is daarvoor een gemotiveerd, gedateerd en ondertekend advies nodig; de wet bevat een bijzondere regeling wanneer de verdachte medewerking aan het onderzoek weigert. Ook kan de noodzaak van voortzetting tussentijds door de rechter worden beoordeeld.[1]
Tijdig beoordelen is mogelijk
Een persoonsgerichte aanpak hoeft geen eindeloze reeks boetes en mislukte interventies te worden voordat iemand naar ISD mag kijken.
De OM-richtlijn uit 2024 noemt het beeld van ISD als uitsluitend een allerlaatste middel achterhaald in de uitvoeringspraktijk. Zij wijst op de mogelijke waarde van eerdere inzet bij personen die daarvoor in aanmerking komen.[2]
Daar ligt een belangrijk aanknopingspunt: laat politie, OM en reclassering tijdig beoordelen of het dossier ISD rechtvaardigt. Er hoeft geen willekeurig aantal extra OV-incidenten te worden afgewacht. Wel blijven de wettelijke voorwaarden, de onderbouwing van de noodzaak en de individuele rechterlijke beoordeling bepalend.
Een maatregel moet ook uitvoerbaar zijn
Een reisverbod heeft pas praktische betekenis wanneer duidelijk is hoe op overtreding ervan wordt gereageerd. Wat mij betreft moet daarom bij iedere maatregel vooraf worden geregeld wie handelt, welke ondersteuning beschikbaar is en hoe een incident wordt opgevolgd.
Wanneer een medewerker alleen werkt en directe ondersteuning ontbreekt, kan het onverantwoord zijn om een confrontatie aan te gaan. De veiligheid van medewerkers en reizigers moet dan vooropstaan. Het afbreken van een onveilige confrontatie mag echter niet betekenen dat ook iedere verdere opvolging verdwijnt. Voor zover dat veilig en rechtmatig kan, moeten relevante feiten worden vastgelegd en aan de bevoegde partij worden overgedragen.
Ik vind dat vervoerders en concessieverleners veilige inzet als onderdeel van de vervoersopdracht moeten organiseren. Daarbij horen concrete afspraken over ondersteuning, bijvoorbeeld werken in tweetallen of beschikbare ondersteuningsteams waar de risico's dat vragen. Ook aanwezigheidseisen in treinen moeten ruimte bieden voor veilige incidentafhandeling. Welke inrichting passend is, moet worden bepaald op basis van de risico's en de benodigde bevoegdheden.
Een personeelsplanning, reisverbod en politieafspraak moeten in de praktijk op elkaar aansluiten. De medewerker die tegenover een agressieve reiziger staat, mag niet degene zijn die het ontbreken van die samenhang moet oplossen.
Minder politie-inzet vraagt om georganiseerde opvolging
Het AD bericht op 23 september 2026 dat de politie niet-urgente meldingen over personen met onbegrepen gedrag liever bij andere instanties ziet terechtkomen. De politie wil zich richten op strafbare feiten en direct gevaar. Het artikel beschrijft daarnaast hoeveel tijd agenten kwijt kunnen zijn aan het vinden van hulp en het organiseren van overdracht.[7]
Ik begrijp dat de politie geen vervanging kan zijn voor ontbrekende zorg of begeleiding. Tegelijkertijd vind ik dat een taak pas verantwoord kan worden overgedragen wanneer een andere organisatie deze daadwerkelijk kan uitvoeren. Voor een medewerker of reiziger biedt een verwijzing naar een andere instantie weinig houvast als vervolgens niemand beschikbaar is om de situatie te beoordelen en passende hulp te organiseren.
Mijn bezwaar richt zich daarom op het risico van een gat in de opvolging. Als minder politie-inzet wordt nagestreefd, moet vooraf duidelijk zijn welke dienst bereikbaar is, wie de urgentie beoordeelt, hoe overdracht plaatsvindt en wat er gebeurt wanneer de situatie verslechtert. Ook bij een aanvankelijk niet-urgente melding moet iemand verantwoordelijk zijn voor de vervolgactie. Een niet-urgente melding kan bovendien onderdeel zijn van een terugkerend patroon waarvoor structurele hulp nodig is.
Daarbij moeten we onbegrepen gedrag en stelselmatige criminaliteit zorgvuldig onderscheiden. Onbegrepen gedrag is op zichzelf geen misdrijf en geen grond voor ISD. Een zorgvraag vraagt om een passende zorgrespons. Bij bedreiging, geweld of andere strafbare feiten kan daarnaast strafrechtelijk optreden nodig zijn. Bij direct gevaar is een acute veiligheidsrespons nodig. Deze situaties kunnen bij dezelfde persoon samenkomen; zorg en veiligheid mogen dan niet naar elkaar blijven verwijzen.
Het AD-bericht weerlegt daarmee niet de juridische mogelijkheid van ISD. Het onderstreept wel een uitvoeringsvoorwaarde voor mijn voorstel: een persoonsgerichte aanpak moet beschikken over mensen en voorzieningen die daadwerkelijk kunnen handelen. Alleen voor de afgebakende groep die aan de ISD-criteria voldoet, komt die maatregel in beeld. Ook voor hen blijven veilige incidentafhandeling en passende zorg noodzakelijk.
Eerst extra inzet, daarna mogelijk minder terugkerende meldingen
Mijn voorstel vraagt in het begin juist meer inzet. Medewerkers moeten veilig kunnen optreden, incidenten zorgvuldig kunnen vastleggen en waar nodig ondersteuning krijgen. Politie, OM, reclassering en zorgpartners hebben vervolgens tijd nodig om het bredere patroon te beoordelen en een passend traject op te zetten. Die investering hoort bij de aanpak.
Met betere signalering en dossieropbouw kunnen personen die al aan de voorwaarden voor ISD voldoen eerder in beeld komen. Het OM kan dan in meer geschikte strafzaken beoordelen of het ISD moet vorderen. De rechter beslist per zaak of de maatregel daadwerkelijk wordt opgelegd. Extra personeel of geld verruimt de wettelijke criteria niet, maar kan wel knelpunten in herkenning, bewijs, advisering en uitvoering verminderen.
Ik verwacht dat zo'n tijdige, goed uitgevoerde aanpak bij een deel van deze kleine groep het patroon van nieuwe incidenten doorbreekt. Als dezelfde personen minder vaak in de trein, op het station of elders opnieuw een crisis of strafbaar feit veroorzaken, kan dat op termijn druk bij vervoerders, politie en hulpdiensten wegnemen. Daarbij zijn passende behandeling en een vervolg na de maatregel noodzakelijk; alleen plaatsing gedurende maximaal twee jaar is geen blijvende oplossing.
Dat is wat ik bedoel met eerst het zuur, dan het zoet: vooraf investeren in veiligheid, capaciteit, zorg en strafrechtelijke opvolging om later minder herhaalde schade en inzet nodig te hebben. De eerste fase kan juist méér werk en meer geregistreerde zaken opleveren. Daarom moet worden gemeten of het aantal terugkerende incidenten en meldingen na verloop van tijd werkelijk afneemt, ook nadat een ISD-traject is afgelopen.
Organiseer samenwerking via bestaande bevoegdheden
Voor deze aanpak moeten verantwoordelijkheden helder zijn. De vervoerder registreert concrete incidenten en kan daarvan melding of aangifte doen. Politie en OM beoordelen de strafrechtelijke informatie. Reclassering brengt risico's, eerdere interventies en mogelijkheden voor begeleiding in beeld. Gemeente en zorgpartners hebben hun eigen taken bij ondersteuning, huisvesting en zorg.
Waar een casus aan de toelatingscriteria voldoet, kan een Zorg- en Veiligheidshuis de samenwerking bij complexe problematiek ondersteunen. Gemeenten en regio's moeten daarbij afspreken wie de regie voert wanneer een persoon bij meerdere vervoerders of in verschillende gemeenten in beeld komt.
Een overlegtafel schept echter geen nieuwe bevoegdheden. Iedere interventie — van een reis- of gebiedsverbod tot strafrechtelijke vervolging of verplichte zorg — heeft eigen voorwaarden en een eigen bevoegd gezag. Een casusregisseur kan die afzonderlijke besluiten niet vervangen.
Gegevensdeling vraagt meer dan een beveiligde lijst
Een gezamenlijk beeld is alleen bruikbaar als de informatie rechtmatig wordt verkregen en gedeeld. Vooraf moet vaststaan met welk doel gegevens worden verwerkt, welke partij dat mag doen en wie welke informatie nodig heeft.
Afhankelijk van de taak en het type gegevens zijn onder meer de AVG en Uitvoeringswet AVG, de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van belang. Sinds 1 maart 2025 geldt voor de Zorg- en Veiligheidshuizen bovendien het kader van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden en het bijbehorende besluit.[6] Dat kader kan niet zonder meer op ieder gemeentelijk overleg of iedere vervoerder worden toegepast.
Een convenant, beveiliging of een gemeenschappelijk veiligheidsbelang is op zichzelf geen voldoende juridische basis. Ook krijgt een vervoerder door deelname niet automatisch toegang tot strafrechtelijke of medische dossiers. Medisch beroepsgeheim en de bijzondere bescherming van gezondheidsgegevens blijven afzonderlijke aandachtspunten.
De praktische uitwerking moet daarom ten minste voorzien in afgebakende doelen, minimale gegevensverwerking, gecontroleerde toegang, betrouwbare identificatie, passende bewaar- en archiefregels en mogelijkheden om onjuiste gegevens te laten corrigeren. Waar nodig moet vooraf een gegevensbeschermingseffectbeoordeling worden uitgevoerd. Een centraal bestand waarin alle partners alles kunnen zien, is geen noodzakelijk uitgangspunt.
Begin met een afgebakende proef
Een regio kan bijvoorbeeld starten met maximaal tien zorgvuldig geselecteerde casussen waarvoor bestaande afzonderlijke interventies onvoldoende perspectief bieden. Tien is een voorstel voor een behapbare start, geen wettelijke grens of verplicht quotum.
Selectie moet berusten op concrete ernst, herhaling, veiligheidsrisico's en de noodzaak van samenwerking. Nationaliteit, afkomst, dakloosheid of betalingsachterstanden mogen op zichzelf geen grond zijn voor opname in zo'n aanpak.
Voor iedere geselecteerde persoon moet vervolgens duidelijk zijn:
- welke feiten vaststaan en welke informatie nog moet worden onderzocht;
- wie de casus coördineert en welke organisaties bevoegd zijn om op te treden;
- welke strafrechtelijke, zorggerichte of ondersteunende interventie passend is;
- wanneer uitvoering en resultaten worden beoordeeld;
- wanneer de intensieve aanpak wordt beëindigd of aangepast.
Dat plan kan leiden tot hulpverlening, passende huisvesting, behandeling, toezicht, vervolging of een andere rechtmatige interventie. Bij degenen die aan de criteria voldoen, kan het OM een ISD-vordering overwegen. Selectie voor de proef loopt daar niet op vooruit.
Maak behandeling en terugkeer onderdeel van de uitvoering
De meerwaarde van ISD hangt mede af van wat er tijdens de maatregel gebeurt. Volgens DJI begint het traject met structuur, begeleiding en behandeling binnen de inrichting. Afhankelijk van de persoon en de omstandigheden kan later een fase buiten de inrichting volgen, bijvoorbeeld in een zorginstelling of begeleide woonvoorziening.[3]
Dat is geen automatisch recht na goed gedrag. Er moeten een passende plaats, een verantwoorde risico-inschatting en duidelijke afspraken over toezicht en verantwoordelijkheden zijn. Bij verblijf buiten de inrichting blijft het nodig risico's te beheersen; volledige uitsluiting van nieuwe incidenten kan dan niet worden beloofd.
Verplichte plaatsing betekent bovendien niet dat iedere medische behandeling zonder toestemming mag plaatsvinden. Gedwongen behandeling vergt een afzonderlijke wettelijke beoordeling. Een weigering moet individueel worden beoordeeld en mag niet eenvoudig worden gelijkgesteld aan onwil of als automatische grond voor een zwaarder regime worden gebruikt.
De voorbereiding op terugkeer verdient vanaf het begin aandacht: passende zorg, een verblijfplaats, inkomen, schuldhulp en dagbesteding waar die nodig zijn. Na afloop van ISD kan toezicht of dwang niet uitsluitend op grond van de beëindigde maatregel doorgaan. Voor eventuele verdere verplichtingen moet een zelfstandige rechtsgrond bestaan.
Bij mensen zonder rechtmatig verblijf kan het traject anders zijn. De OM-richtlijn bevat daarvoor afzonderlijk beleid en beschrijft beperkingen voor reguliere extramurale tenuitvoerlegging en een mogelijke gerichtheid op terugkeer naar het land van herkomst.[2] Afkomst bepaalt dus niet wie voor ISD in aanmerking komt, maar de juridische verblijfspositie kan wel invloed hebben op de uitvoering.
Wat onderzoek wel en niet aantoont
Onderzoek geeft reden om ISD serieus te nemen. Het WODC meldde in 2020 dat na ISD een kleiner aandeel van de onderzochte groep opnieuw recidiveerde dan na een standaardsanctie. Dat onderzoek meldde echter geen vermindering van de recidivefrequentie onder degenen die opnieuw recidiveerden.[4]
Daarmee is ISD een onderbouwde mogelijkheid, geen garantie op blijvende gedragsverandering. De uitkomsten bewijzen evenmin dat een specifieke regionale OV-aanpak hetzelfde effect zal hebben.
Ook de Amsterdamse Top600-evaluatie vraagt om terughoudendheid. Die vond geen aantoonbaar lagere recidive dan bij vergelijkbare veelplegers buiten de aanpak. De evaluatie noemt onder meer complexe problematiek en aanwijzingen dat de uitvoering niet volledig overeenkwam met de bedoeling. Zij adviseert niet zonder meer uit te breiden naar andere doelgroepen.[5]
Een proef met prioritaire casussen moet daarom vooraf toetsbare doelen krijgen. Meet bijvoorbeeld gewelds- en bedreigingsincidenten, nieuwe strafzaken, doorlooptijden, continuïteit van zorg en het perspectief na terugkeer. Onderzoek ook of problemen zich verplaatsen naar een andere vervoerder of gemeente. Houd rekening met veranderingen in de intensiteit van controles en registratie: meer registraties betekenen niet automatisch meer feitelijk gedrag.
Voor een conclusie over effectiviteit is een passende vergelijking nodig. Minder geregistreerde incidenten tijdens gesloten verblijf is op zichzelf nog geen bewijs van duurzaam succes na terugkeer.
Een toekomstgerichte verantwoordelijkheid
Deze aanpak vraagt om langdurige samenwerking, beschikbaar personeel, geschikte behandelplaatsen en continuïteit na afloop van een strafrechtelijk traject. Het organiseren daarvan kost tijd en vraagt in het begin extra inzet. De mogelijke opbrengst is minder terugkerende incidenten en daardoor later minder beroep op medewerkers, politie en hulpdiensten. Of die opbrengst daadwerkelijk ontstaat, moet worden onderzocht.
Het voorstel is om terugkerende veiligheidsproblemen niet steeds als losse gebeurtenissen af te handelen. Laat bevoegde partners het patroon zorgvuldig beoordelen, verbind daar een uitvoerbaar plan aan en toets het resultaat.
Voor volwassen stelselmatige daders die aan de wettelijke en beleidsmatige criteria voldoen, kan ISD een juridisch beschikbare en door onderzoek ondersteunde interventie zijn. Tijdige beoordeling, passende uitvoering en nazorg kunnen daarvan een betekenisvol onderdeel van een toekomstgerichte veiligheidsaanpak maken. Of dat in een regio ook daadwerkelijk lukt, moet zorgvuldig worden gevolgd en onderzocht.
Mijn conclusie voor de politiek: wie neemt de uitvoering op zich?
De situatie op de Vechtdallijn verdient meer dan een debat over de volgende OV-boete. Mijn voorstel aan kabinet, Tweede Kamer en provincies is om samen met vervoerders, gemeenten, politie, OM, reclassering en zorgorganisaties een afgebakende aanpak van structurele, ernstige OV-incidenten mogelijk te maken. Begin op een beperkt aantal lijnen of in een beperkt aantal regio's. Zorg dat medewerkers veilig kunnen handelen, dat incidenten bruikbaar worden vastgelegd en dat herhaalde gevallen tijdig door bevoegde partners worden beoordeeld.
Daarvoor moeten politieke keuzes concreet worden. Provincies kunnen als concessieverleners afspraken maken over veilige personeelsinzet en beschikbare ondersteuning. Het Rijk moet samen met de uitvoerende organisaties duidelijk maken welke capaciteit nodig is voor politie, OM, reclassering, ISD-plaatsen en passende zorg. Gemeenten en zorgpartners moeten bereikbaar zijn voor hulp en een vervolg na een strafrechtelijk traject. Die verantwoordelijkheden vragen langdurige middelen en samenwerking, ook als een proef aanvankelijk meer inzet kost.
Ik vraag de politiek dus: wie wil deze methode daadwerkelijk laten uitvoeren en toetsen? Welke partijen verbinden zich aan een proef met een verantwoordelijke regisseur, concrete afspraken over acute veiligheid, een juridisch houdbare route voor gegevensdeling, beschikbare zorg en een openbare evaluatie? Meet na afloop of geweld en bedreiging, herhaalde incidenten en de inzet van politie en hulpdiensten werkelijk afnemen, ook na terugkeer van betrokkenen.
Het doel is niet een vooraf vastgesteld aantal ISD-maatregelen. Betere signalering kan ertoe leiden dat het OM in meer geschikte zaken een ISD-vordering overweegt; uitsluitend de rechter kan die maatregel opleggen. Voor anderen zijn zorg, toezicht of andere rechtmatige interventies nodig. Wie dit probleem toekomstgericht wil aanpakken, moet beide routes uitvoerbaar maken en verantwoordelijkheid nemen voor het resultaat. Eerst investeren in veiligheid en opvolging kan later minder herhaalde schade en inzet opleveren. Laat de politiek zeggen wie bereid is die keuze te maken.
Bronnen
- Wetboek van Strafrecht, artikelen 38m, 38n en 38p — geldende versie vanaf 1 juli 2026.
- Openbaar Ministerie, Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, 2024R002. In werking vanaf 1 mei 2024; met name onderdelen 1.1, 2 en 3.
- Dienst Justitiële Inrichtingen, Inrichting voor Stelselmatige Daders.
- WODC, Plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders leidt tot minder recidivisten, 13 januari 2020.
- Nederlandse Zorg- en Veiligheidshuizen, De effectiviteit van de Top600-aanpak — samenvatting WODC-onderzoek, 16 november 2023.
- Nederlandse Zorg- en Veiligheidshuizen, Nieuwe wet WGS van kracht voor Zorg- en Veiligheidshuizen, 3 maart 2025.
- Martijn Klerks, AD, Politie wil af van ‘niet-urgente’ meldingen verwarde personen: ‘Uren bezig met één melding’, 23 september 2026, bijgewerkt om 10:44. Geraadpleegd op 23 september 2026. Dit is een nieuwsbron over de gewenste taakverdeling en uitvoeringsproblemen; geen vaststelling dat de politie bij alle OV-incidenten wegblijft of dat een landelijk terugtrekkingsbeleid al is ingevoerd.
- AD, Boa Erik worstelt met agressieve zwartrijders in trein naar Ter Apel: ‘Waarom helpt Den Haag ons niet?’, 20 september 2026, 09:00 uur. De openbare artikelpagina bevestigt titel en publicatietijd. De specifieke beschrijving van de incidenten en werkwijze is gebaseerd op de door de gebruiker aangeleverde samenvatting van het artikel; de volledige betaalde artikeltekst was bij deze controle niet toegankelijk.
Dit artikel bespreekt een beleidsvoorstel en het algemene juridische kader. De toepassing in een individuele zaak en de precieze inrichting van gegevensdeling vergen een afzonderlijke beoordeling.